Algemeen

Achter het vaandel en het koningspaar marcheren de officieren als ‘nazaten’ van de aloude schutten- of broedermeesters. Zij bekleden in tegenstelling tot hun voorvaderen weliswaar niet meer automatisch een functie in het bestuur van de schutterij, maar zijn toch min of meer de ‘meest aanzienlijken’ van het gezelschap. Hun rang kregen zij waarschijnlijk als dank voor jarenlange inzet voor de vereniging, dus mogen zij zich tooien met een fraaie pluim op de hoed, epauletten op de schouders, sjerpen om de heup en gouden biezen langszij de broek. Aan hun riem een sabel. Tot het officierkorps behoren luitenanten, kapiteins, majoors, kolonels en generaals. In principe behoren hiertoe ook de sergeant-majoor die als tamboer-maître voor de drumband loopt, de vaandrig in het midden en naast de colonne de commandant.

 

Wedstrijdonderdelen

Voor de meeste officieren is er geen apart wedstrijdonderdeel. Uitzondering hierop is de hoogste in rang; de Generaal. De Generaal kan meestrijden om de titel ‘modelste generaal’ dan wel de titel ‘mooiste generaal’. Het aantal generaals per schutterij is maximaal 1 en iedere generaal kan slechts aan een wedstrijdonderdeel mee doen. Bij de beoordeling van de modeslte generaal , wordt uitgegaan van de uitmonstering en rangonderscheidingstekens behorend bij het betreffende uniform. Nadruk ligt op de historisch verantwoordheid van het uniform. Deze historische verantwoordheid speelt bij de beoordeling van de ‘mooiste generaal’ geen (directe) rol. Bij deze beoordeling worden aan de deelnemers dan ook geen vragen gesteld.